De campus van de Erasmus Universiteit Rotterdam herbergt een schat aan architectuur, kunst en andere objecten met een mooi verhaal. Kom eens bij ons kijken! Deze week: de GEDENKSTEEN TWEEDE WERELDOORLOG.
Hans van Koetsveld studeerde economie aan de NEH (Nederlandse Economische Hogeschool, voorloper van de Erasmus Universiteit) met als doel om accountant te worden en het kantoor van zijn vader over te nemen. Maar vanwege de mobilisatie in augustus 1939 diende hij deze studie te onderbreken. Woest was hij toen de Duitsers als slotstuk van de inval in mei 1940 ‘zijn’ Rotterdam bombardeerden.
Na de capitulatie sloot hij aan bij verzetsgroep ‘Oranje Vrijbuiters’ en leidde samen met Tom Spoelstra een knokploeg. Ze pleegden aanslagen op landverraders en NSB’ers, verrichtten spionageactiviteiten en overvielen distributiekantoren om onderduikers te voorzien van voedselbonnen en persoonsbewijzen.
Op 25 augustus 1943 werd van Koetsveld opgepakt bij het huis van Spoelstra en opgesloten in Den Haag en Scheveningen. Na veel ontberingen in gevangenschap werd van Koetsveld op 28 februari 1944 samen met andere Oranje Vrijbuiters ter dood veroordeeld en een dag later, op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd.
Van Koetsveld is slechts één van de 52 NEH studenten die tijdens de Tweede Wereldoorlog omkwam. Om hen te herdenken werd in 1948 een bescheiden moment geplaatst in de hal van hogeschool, toen gevestigd aan de Pieter de Hooghweg. In 1968 verhuisde de steen mee naar de Theil hal van de huidige campus, waar zij nog steeds hangt.
Het monument toont drie symbolische figuren, voorstellende de dood (afgeknotte boom), de vrede (de vrouw) en het leven (de ontspruitende boom). Onder het tafereel staat de tekst ‘1940-1945 VIVORUM RECORDATIO MORTUORUM VITA’ (De herinnering van de levenden betekent leven voor de doden). Het werd geschonken door de gezamenlijke Rotterdamse studentenverenigingen en onthuld door de moeder van één van de omgekomen studenten.
De rector sprak vlak na de onthulling de woorden ‘Moge de Hoogeschool het gedenkteken bewaren met den eerbied, waarmede ik het aanvaard heb’